In een back-up van Spurt, mijn oude loopblog, vond ik een stuk terug uit 2009. Het heette Goal. Er stond een zin in die ik vergeten was.
‘Ik ben een bijter en ik ben zot op doelen. Ook al zijn ze doelloos.’
Na de Ten Miles van Antwerpen had ik mezelf voorgenomen om in twaalf weken 250 kilometer te lopen. Nike+ liet me een doel instellen, dus stelde ik er een in. Waarom 250? In dat oude stuk kom ik niet veel verder dan ‘Laten we een goal stellen.’
Ik haalde het in elf weken. Dat had ik er uiteraard bij geschreven.
Voor ik begon, vond ik vijf kilometer zowat mijn afstand. Vijftien kilometer leek me vooral lang duren. Tegen de tijd dat ik die 250 haalde, liep ik vijftien kilometer in een uur en tien minuten. Ik was verbaasd over hoe gewoon dat intussen voelde.
Ik begon ook kilometers in te halen. Ik had er gemist door een blessure, nieuwe steunzolen en een festival. Mijn laatste kilometers liep ik met loden benen in de zon. Al na tweehonderd meter wist ik dat het afzien zou worden. Toch liep ik door. Ik wilde die 250 zien staan.
Dat herken ik nog. Zodra ik ergens een getal op plak, kan ik me er behoorlijk in vastbijten. Vijf minuten eerder had ik waarschijnlijk met evenveel overtuiging 200 ingevuld.
Ik denk graag dat ik eerst iets wil en er dan een doel bij zoek. Hier ging het andersom. Nike+ gaf me een teller. Ik vulde een getal in. En een paar weken later had ik ineens kilometers in te halen die ik mezelf evengoed had kunnen besparen.
Ik eindigde dat oude stuk met ‘Een marathon? Misschien.’ Acht dagen later kondigde ik aan dat ik aan de voorbereiding van mijn eerste marathon begon.
Ik had 250 kilometer ingevuld om iets te hebben om naartoe te werken. Toen die erop zaten, had ik vooral goesting om verder te lopen.