Ik zeg graag dat mensen verantwoordelijkheid moeten nemen.

Zelf keuzes maken. Problemen oplossen. Niet voor elke beslissing komen aankloppen.

Lijkt me een redelijk uitgangspunt.

Alleen betrap ik mezelf er geregeld op dat ik me toch nog met die beslissingen wil bemoeien.

Niet omdat ik denk dat niemand anders het kan. Ik heb gewoon snel een mening. Over hoe iets aangepakt wordt, welke optie de beste is en wat er eventueel nog fout kan lopen.

Dat noem ik dan betrokkenheid.

Voor de ander is het waarschijnlijk vooral vervelend.

We gebruiken bij FYRCO het woord eigenaarschap nogal bewust. Het is zelfs een van de gedragingen die we belangrijk vinden.

Maar eigenaarschap kun je niet gewoon van iemand verwachten en vervolgens elke beslissing zelf blijven nemen.

Dat is een beetje alsof je iemand de sleutels van je auto geeft, maar wel op de passagiersstoel voortdurend aan het stuur trekt.

En achteraf vraagt waarom die persoon niet wat zelfstandiger rijdt.

Ik overdrijf. Alweer een beetje.

Als ondernemer is het verleidelijk om overal snel even bij te springen.

Een vraag beantwoorden. Een voorstel bijsturen. Een knoop doorhakken.

Dat kost me meestal maar twee minuten.

Tot je beseft dat mensen op die twee minuten beginnen te wachten. En dat sommige beslissingen niet meer genomen worden voordat jij er iets over gezegd hebt.

Dan heb je niet gedelegeerd. Je hebt een wachtrij gebouwd.

We proberen daarom rollen en verantwoordelijkheden steeds duidelijker af te bakenen. Niet alleen wat iemand moet doen, maar ook wat die persoon zelf mag beslissen.

Dat laatste is minstens even belangrijk.

Want verantwoordelijkheid zonder beslissingsruimte is een behoorlijk flauw cadeau.

Uiteraard zijn er grenzen. Niet iedereen kan zomaar eender wat beslissen. Veiligheid, budgetten en afspraken zijn er niet voor niets.

Maar binnen die grenzen moet er ruimte zijn om een andere keuze te maken dan ik zelf zou maken.

Dat vind ik soms moeilijker dan ik zou willen toegeven.

Een beslissing kan namelijk prima zijn, ook als ik ze zelf anders had genomen.

En wanneer ik me er telkens toch nog mee bemoei, leert iedereen vooral één ding: vraag het eerst maar aan Kristof.

Precies wat ik niet wil.

Dus probeer ik me bij een volgende vraag wat vaker af te vragen of ze echt bij mij hoort.

En als het antwoord nee is, moet ik er misschien gewoon afblijven.

Zelfs wanneer ik een heel goed idee heb.

Vooral dan.